Wennen op de kinderopvang en afscheid nemen: zo help je je kind

Je kind gaat naar de kinderopvang. Misschien voor het eerst, misschien na een tijd thuis. Dat is een grote stap, voor je kind en voor jou. De eerste ochtenden voelen vaak onwennig. Je kind huilt bij de deur, of kijkt je juist niet meer aan. Jij loopt met een knoop in je maag naar je werk. Dat hoort er allemaal bij. Wennen kost tijd, en dat mag. In dit artikel lees je wat een wenperiode is, wat de regels zeggen, hoe je thuis voorbereidt en hoe je een kort en duidelijk afscheid maakt. Je leest ook hoe wennen gaat bij de bso en bij een gastouder, wanneer je met de mentor praat en hoe je zelf met de eerste weken omgaat. Onderaan staat een checklist voor de eerste week.
Wat is een wenperiode?
In de wenperiode maakt je kind stap voor stap kennis met de groep, de pedagogisch medewerkers, de ruimte en het ritme van de dag. Je kind leert dat dit een veilige plek is en dat jij altijd terugkomt. Jij leert de mensen kennen die voor je kind zorgen. Dat is net zo belangrijk.
Hoe een locatie het wennen aanpakt, verschilt. Veel locaties beginnen met een kennismakingsgesprek. Daarin vertel je over je kind: hoe het slaapt, eet, getroost wil worden en wat het spannend vindt. Daarna volgen vaak een of meer korte wenmomenten. Soms blijf jij er eerst bij, soms ga je meteen even weg. Vraag de locatie hoe zij het doen. Zo weet je wat je kunt verwachten.
Wat zegt de wet over wennen?
De regels voor de kwaliteit van de kinderopvang staan in het Besluit kwaliteit kinderopvang. Daarin staat dat elk kindercentrum een pedagogisch beleidsplan heeft. Dat plan beschrijft onder meer hoe kinderen kunnen wennen aan een nieuwe stamgroep waarin ze worden opgevangen. Een stamgroep is de vaste groep van je kind op het kinderdagverblijf. Dit geldt dus ook als je kind later doorstroomt naar een andere groep, bijvoorbeeld van de babygroep naar de peutergroep.
Voor de buitenschoolse opvang staat er hetzelfde, alleen heet de vaste groep daar een basisgroep. Bij een gastouder beschrijft de gastouder in een eigen pedagogisch werkplan hoe nieuwe kinderen kunnen wennen.
De Wet kinderopvang bepaalt verder dat de houder van een kindercentrum ouders informeert over het beleid. Je mag dus vragen naar het pedagogisch beleidsplan en naar het wenbeleid. De oudercommissie heeft adviesrecht over het pedagogisch beleid.
De mentor: je vaste aanspreekpunt
Elk kind op een kinderdagverblijf en op de bso krijgt een mentor. De mentor is een pedagogisch medewerker op de groep van je kind. Bij het kinderdagverblijf bespreekt de mentor de ontwikkeling van je kind regelmatig met jou. Bij de bso gebeurt dat als jij of de mentor daar behoefte aan heeft. Het pedagogisch beleidsplan beschrijft ook hoe jij en je kind te horen krijgen wie de mentor is. Weet je het na de eerste dag nog niet? Vraag het dan gewoon. Meer over de rol van de mentor lees je in ontwikkeling volgen op de kinderopvang: zo werkt de mentor.
Hoe lang duurt wennen?
Daar is geen vast antwoord op. Het verschilt per kind, per leeftijd en per locatie. Het ene kind speelt na een paar ochtenden vrolijk mee. Het andere kind heeft weken nodig voordat het afscheid makkelijker gaat. Beide zijn normaal. Ook een kind dat de eerste dagen goed lijkt te gaan, kan na een tijdje ineens wel huilen bij het brengen. Dat is vaak het moment waarop je kind doorheeft dat dit de nieuwe routine is.
Wat meespeelt is de leeftijd van je kind. Volgens het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) begint scheidingsangst meestal vanaf zes maanden en kan die doorgaan tot in het derde levensjaar. Eenkennigheid, de angst voor onbekende mensen, ontwikkelen de meeste kinderen tussen 9 en 12 maanden. Beide horen bij een gezonde hechting en gaan weer voorbij. Start je kind in die periode, dan kan wennen wat meer tijd vragen. Wil je weten wanneer je het beste kunt starten en inschrijven? Lees dan wanneer moet je je kind inschrijven voor de kinderopvang en de tijdlijn van zwanger tot bso.
Thuis voorbereiden
Je kunt al veel doen voordat de eerste dag begint. Een paar tips:
- Praat erover. Ook een baby hoort je stem. Vertel in korte zinnen wat er gaat gebeuren. Bij een peuter kun je een prentenboek over de opvang lezen of samen langs het gebouw lopen.
- Oefen met kort weggaan. Het NJi raadt aan om weggaan en terugkomen te oefenen, bijvoorbeeld door even de kamer uit te gaan en weer binnen te komen, of door kiekeboe te spelen. Zo leert je kind dat jij terugkomt.
- Laat je kind wennen aan andere verzorgers. Laat opa, oma of een bekende oppas af en toe een uurtje op je kind passen.
- Deel het ritme. Vertel de opvang hoe laat je kind slaapt en eet, en hoe het in slaap valt. Lees ook slapen op het kinderdagverblijf als je je afvraagt hoe dat op de groep gaat.
- Plan rustig. Plan de eerste weken geen grote veranderingen erbij als dat lukt, zoals een verhuizing of een vakantie vlak na de start.
Afscheid nemen: kort, duidelijk en steeds hetzelfde
Het afscheid is voor veel ouders het lastigste moment. Het NJi geeft een helder advies: neem kort en duidelijk afscheid, en doe dat zoveel mogelijk op dezelfde manier. Blijf even bij je kind, zodat het kan wennen aan de ander en zich veilig voelt. Laat daarna de pedagogisch medewerker je kind overnemen en troosten. Dat is voor je kind het duidelijkst.
Een vast afscheidsritueel
Een vast ritueel geeft houvast. Je kind weet wat er komt, en dat maakt het voorspelbaar. Bijvoorbeeld zo:
- Samen de jas ophangen en de tas op de vaste plek zetten.
- Kort iets vertellen aan de pedagogisch medewerker over de nacht en de ochtend.
- Een knuffel, een kus en een vast zinnetje, zoals "Ik ga werken, na het slapen kom ik je halen."
- Je kind overgeven aan de medewerker en zwaaien bij het raam.
- Weggaan, ook als je kind huilt.
Zeg het ophaalmoment in woorden die je kind begrijpt. Een kleine peuter snapt "om vijf uur" nog niet. "Na het fruit" of "na het slapen" wel.
Waarom stiekem weggaan geen goed idee is
Het kan verleidelijk zijn om weg te glippen als je kind net lekker speelt. Toch raden pedagogen dat meestal af. Je kind merkt later dat je er ineens niet meer bent, zonder dat het daar op voorbereid was. Daardoor wordt het afscheid juist minder voorspelbaar. Sommige kinderen gaan je dan extra goed in de gaten houden. Een kort en duidelijk gedag, elke keer op dezelfde manier, geeft je kind meer zekerheid. Het helpt ook om niet steeds terug te komen als je al gedag hebt gezegd. Daarmee begint het afscheid elke keer opnieuw.
Huilen bij het brengen
Veel kinderen huilen als hun ouder weggaat. Dat betekent niet dat het op de opvang niet goed gaat. Huilen is de manier waarop een jong kind laat zien dat het je mist. Het NJi schrijft dat je kind vaak snel weer rustig wordt als je eenmaal uit beeld bent. Je kunt na een half uurtje bellen of een berichtje sturen om te vragen hoe het gaat. Sommige locaties sturen ook zelf een foto of een kort bericht. Vraag vooraf hoe dat bij jouw locatie gaat.
Blijf zelf zo rustig mogelijk. Kinderen voelen spanning goed aan. Dat betekent niet dat je je verdriet moet wegstoppen. Een glimlach bij het afscheid en een traan in de auto mag allebei.
Eenkennigheid en scheidingsangst
Eenkennigheid betekent dat je kind zich alleen veilig voelt bij een of twee vertrouwde mensen en angstig reageert op anderen. Je kind kan huilen, zich aan je vastklampen of zich verstoppen. Het NJi geeft deze tips:
- Accepteer dat je kind zich aan je vastklampt en dwing geen contact af.
- Vertel wie de pedagogisch medewerker is en praat rustig met haar of hem. Zo ziet je kind dat er niets engs is.
- Benoem wat je kind voelt en neem dat serieus.
- Geef je kind tijd om te wennen aan de nieuwe verzorger.
- Houd het afscheid rustig en kort.
Scheidingsangst gaat over het weggaan van de vertrouwde ouder. Ook dat hoort bij de ontwikkeling. Het helpt als je kind een vaste medewerker heeft bij wie het terecht kan. In de dagopvang moet er volgens de regels minimaal een vast gezicht van je kind op de groep werken.
Wat neem je mee?
Elke locatie heeft een eigen lijstje. Vraag het vooraf op. Vaak gaat het om:
- Een knuffel, speen of doekje dat naar thuis ruikt.
- Reservekleding, met naam erin.
- Flesvoeding of afgekolfde moedermelk, als de locatie daarom vraagt.
- Een slaapzak, als de locatie die niet zelf heeft.
- Eventueel luiers, als die niet bij de opvang horen.
- Een korte notitie over het ritme van je kind, als je dat niet al in het intakegesprek hebt gedeeld.
Wennen op de bso
Ook oudere kinderen moeten wennen. De bso is een andere wereld dan school. De groep is vaak gemengd in leeftijd, de dag is losser en je kind kent de kinderen en de medewerkers nog niet. Het pedagogisch beleidsplan van de bso beschrijft hoe kinderen wennen aan een nieuwe basisgroep. Ook op de bso heeft je kind een mentor.
Wat helpt bij de bso:
- Ga vooraf samen kijken, als dat kan.
- Vertel je kind wie het van school ophaalt en hoe dat gaat.
- Vraag of er een vast kind of maatje is dat je kind wegwijs maakt.
- Vraag na een paar weken hoe het gaat, ook aan je kind zelf. Een oudere basisschoolleerling kan zelf goed vertellen wat leuk en lastig is.
Twijfel je nog over de keuze? Lees dan eerst hoe kies je een bso.
Wennen bij een gastouder
Een gastouder vangt kinderen op in een huiselijke omgeving, met een kleine groep. Ook daar is wennen nodig. Elke gastouder heeft een pedagogisch werkplan. Daarin staat onder meer het dagritme, de activiteiten en hoe nieuwe kinderen kunnen wennen. Vraag of je dat plan mag lezen. Het gastouderbureau begeleidt de gastouder en kan je ook vragen beantwoorden. Hulp nodig bij de keuze? Lees kinderdagverblijf of gastouder.
Wanneer praat je met de mentor?
Je hoeft niet te wachten op een gepland gesprek. De mentor is je aanspreekpunt voor vragen over de ontwikkeling en het welbevinden van je kind. Een gesprek is handig als:
- je kind na een paar weken nog steeds erg van streek is bij het afscheid, en dat er niet minder op wordt;
- je kind thuis duidelijk anders is dan normaal, bijvoorbeeld veel slechter slaapt of eet;
- je kind op de opvang moeilijk te troosten is of zich steeds terugtrekt;
- je het gevoel hebt dat het niet klikt, met de groep of met de aanpak;
- je zelf onrustig blijft en meer wilt weten over hoe de dag verloopt.
Bespreek samen wat er kan helpen. Misschien een rustiger opbouw, een ander brengmoment of een vaste medewerker die je kind opvangt. Maak je je zorgen over de gezondheid of ontwikkeling van je kind? Dan kun je ook terecht bij het consultatiebureau of je huisarts.
En jij? Omgaan met schuldgevoel en werk
Ook ouders moeten wennen. Het is heel gewoon dat je je schuldig voelt, of dat je de eerste dagen op je werk vooral aan je kind denkt. Een paar dingen die kunnen helpen:
- Bouw ruimte in. Plan de wenperiode als het kan vóór je eerste werkdag, of begin met kortere dagen. Bespreek met je werkgever dat je in de eerste weken flexibel wilt zijn.
- Zorg voor een plan B. Spreek af wie je kind kan halen als het ziek wordt of als jij later bent. Lees ook wanneer mag een ziek kind niet naar de kinderopvang.
- Vraag om updates. Een foto of een kort bericht kan veel rust geven.
- Kijk naar het geheel. Het moment bij de deur zegt weinig over de hele dag. Let vooral op hoe je kind na een paar weken is.
- Praat erover. Met je partner, met andere ouders bij de opvang of met de mentor. Je bent echt niet de enige.
Houd er ook rekening mee dat je kind na het ophalen moe kan zijn. Een dag vol nieuwe indrukken vraagt veel. Een rustige avond, extra knuffelen en op tijd naar bed helpen dan.
Checklist: de eerste week
Print deze lijst of zet hem op je telefoon.
Voor de eerste dag
- Wenschema met de locatie afgesproken en in de agenda gezet
- Pedagogisch beleidsplan of werkplan gelezen, met het stukje over wennen
- Intakegesprek gehad: ritme, slapen, eten, troosten en allergieën besproken
- Weten wie de mentor is
- Tas ingepakt: knuffel, reservekleding met naam, voeding, eventueel slaapzak
- Afgesproken hoe en wanneer je een update krijgt
- Plan B geregeld voor ziek zijn of later ophalen
- Werkgever geïnformeerd over de wenperiode
Elke wendag
- Op tijd vertrekken, zodat het brengen niet gehaast is
- Vast afscheidsritueel: knuffel, vast zinnetje, overgeven, zwaaien
- Ophaalmoment benoemd in woorden die je kind snapt
- Niet terugkomen na het gedag zeggen
- Bij het ophalen kort vragen hoe de dag ging: eten, slapen, spelen
- Thuis een rustige avond
Aan het eind van de week
- Kort evalueren met de mentor of pedagogisch medewerker
- Afspreken hoe de komende weken eruitzien
- Noteren wat goed ging en wat lastig was
Ben je nog op zoek naar een geschikte plek? Op Kinderopvang.org zoeken vergelijk je kinderdagverblijven, bso's en gastouders bij jou in de buurt.
Veelgestelde vragen
Hoe lang duurt de wenperiode op de kinderopvang?
Dat verschilt per kind en per locatie. Sommige kinderen voelen zich na een paar keer thuis op de groep, andere hebben weken nodig. Vraag de locatie naar hun wenschema en bespreek met de mentor hoe het gaat.
Is het erg als mijn kind huilt bij het afscheid?
Nee, huilen bij het afscheid komt veel voor. Het laat zien dat je kind je mist. Volgens het Nederlands Jeugdinstituut wordt een kind vaak snel weer rustig als de ouder uit beeld is. Je kunt altijd even bellen om te vragen hoe het gaat.
Moet de kinderopvang een wenbeleid hebben?
Ja. Volgens het Besluit kwaliteit kinderopvang beschrijft het pedagogisch beleidsplan van een kinderdagverblijf hoe kinderen kunnen wennen aan een nieuwe stamgroep. Voor de bso gaat het om een nieuwe basisgroep. Een gastouder beschrijft in het pedagogisch werkplan hoe nieuwe kinderen wennen.
Kan ik beter stiekem weggaan als mijn kind speelt?
Liever niet. Het NJi raadt aan kort en duidelijk afscheid te nemen, en dat steeds op dezelfde manier te doen. Als je ongemerkt verdwijnt, is het afscheid voor je kind minder voorspelbaar. Een vast ritueel geeft meer houvast.
Wat is het verschil tussen eenkennigheid en scheidingsangst?
Bij eenkennigheid is je kind bang voor onbekende mensen. De meeste kinderen ontwikkelen dat tussen 9 en 12 maanden. Bij scheidingsangst is je kind bang dat de vertrouwde ouder weggaat. Dat begint meestal vanaf zes maanden. Beide horen bij de ontwikkeling en gaan weer voorbij.
Wie is de mentor van mijn kind?
Elk kind op een kinderdagverblijf en op de bso krijgt een mentor. Dat is een pedagogisch medewerker op de groep van je kind en jouw aanspreekpunt voor de ontwikkeling en het welbevinden van je kind. Weet je niet wie het is? Vraag het dan aan de locatie.
Moet mijn kind ook wennen als het naar een andere groep gaat?
Ja, ook dat is een overgang. Het pedagogisch beleidsplan beschrijft hoe kinderen wennen aan een nieuwe stamgroep. Vraag de locatie hoe zij de overstap naar bijvoorbeeld de peutergroep aanpakken.
Gerelateerde artikelen
- De opvangtijdlijn: van zwanger tot bso
- Slapen op het kinderdagverblijf
- Ontwikkeling volgen op de kinderopvang: de mentor
- Wanneer moet je je kind inschrijven voor de kinderopvang?
- Je kind voorbereiden op de eerste dag bij de kinderopvang
- Een bso kiezen
Bronnen: Besluit kwaliteit kinderopvang (artikelen 3, 9, 12, 18 en 26); Wet kinderopvang (artikelen 1.54 en 1.60); Rijksoverheid, Waarvoor kan ik terecht bij de mentor van mijn kind?; Rijksoverheid, Vaste gezichten en groepen kinderopvang; Rijksoverheid, Kwaliteit gastouderopvang; NJi, Scheidingsangst: angst om verlaten te worden; NJi, Eenkennigheid: angst voor vreemden. Bijgewerkt op 27 oktober 2026.
Gratis nieuwsbrief
Tips voor jouw fase, één keer per maand
Kies je fase. Je krijgt een welkomstmail met de beste artikelen om mee te beginnen, daarna hooguit één mail per maand met wat nieuw is.
Afmelden kan altijd, met één klik. Lees hoe we met je gegevens omgaan in ons privacybeleid.